Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
15 februari 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De zaak betrof een strafzaak waarin de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering naar de gebruikelijke maatstraf. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, maar stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot vijftien maanden en twee weken, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen en de uitspraak werd op 10 februari 2015 gewezen door de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijftien maanden en twee weken, waarvan acht maanden voorwaardelijk.