Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 8 april 2015, nrs. BK‑14/00653 t/m BK-14/00685, betreffende het verzoek van belanghebbende om herziening van de uitspraak van het Hof van 8 april 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 april 2015. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de gronden van het beroep ontbraken.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief op 28 mei 2015 in de gelegenheid gesteld om het verzuim binnen zes weken te herstellen. Belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt, waardoor het verzuim niet is hersteld.
Op grond van artikel 6:6 Awb Pro verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er zijn geen gronden voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest is op 11 september 2015 in het openbaar gewezen door de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden en het niet herstellen van het verzuim.