Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk voordeel trekken uit steunfraude in de periode van november 2004 tot juli 2010. De bewezenverklaring steunde op diverse ambtelijke processen-verbaal, waaronder verklaringen van de verdachte en betrokkene, bankafschriften, en inbeslaggenomen goederen. Uit deze bewijzen bleek dat de verdachte en betrokkene feitelijk samenwoonden en dat de verdachte gebruik maakte van het uitkeringsgeld van betrokkene dat aan het huishouden werd besteed.
De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs niet voldeed om opzet aan te tonen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat betrokkene niet aan de inlichtingenplicht had voldaan en dat zij opzettelijk voordeel trok uit met misdrijf verkregen geld. Hierdoor was de bewezenverklaring niet voldoende gemotiveerd volgens de wettelijke eisen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het gerechtshof en verwees de zaak terug voor nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 1 september 2015.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijs van opzet en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.