ECLI:NL:HR:2015:230

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2015
Publicatiedatum
5 februari 2015
Zaaknummer
14/05468
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens toerekenbare tekortkoming

In deze zaak stond de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een schone lei centraal, vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de sollicitatie- en inspanningsverplichting door verzoekster.

De procedure begon bij de rechtbank Rotterdam, waarna het gerechtshof Den Haag het vonnis bevestigde. Verzoekster stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Procureur-Generaal adviseerde niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat verzoekster onvoldoende belang had bij het beroep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee bleef het arrest van het gerechtshof in stand, waarbij de schuldsaneringsregeling werd beëindigd zonder dat verzoekster een schone lei kreeg toegekend.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.

Uitspraak

6 februari 2015
Eerste Kamer
14/05468
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/10/11/785 R van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2014;
b. het arrest in de zaak 200.153.250/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 23 december 2014 op dit standpunt gereageerd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
6 februari 2015.