Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Echter zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk omdat het wettelijke voorschrift niet is nageleefd.
Het arrest is gewezen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 3 februari 2015 en betreft zaaknummer 14/03009. De beslissing houdt in dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld vanwege procedurele tekortkomingen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.