Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
10 juli 2015.
Hoge Raad
De moeder heeft tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld. De Raad voor de Kinderbescherming was de verweerder in cassatie, maar heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, maar oordeelt dat de klachten van de moeder geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat de moeder klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Gezien artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en na het horen van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De beschikking is op 10 juli 2015 gegeven en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.