ECLI:NL:HR:2015:1842

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
14/05072
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling partneralimentatie en behoefte na echtscheiding met onvoldoende motivering hof

Partijen zijn in 1986 gehuwd en zijn in 2013 gescheiden. De vrouw verzocht om vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud door de man. De rechtbank wees dit af, het hof stelde partneralimentatie vast op € 2.259 bruto per maand, gebaseerd op een door het hof begrote behoefte van € 2.500 netto per maand.

Het hof motiveerde dat de vrouw een behoeftelijst had ingediend met een hogere eis, maar dat deze onvoldoende was onderbouwd. Het hof ging uit van een netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk van circa € 5.500 tot € 6.000 en een redelijke uitgavenpost, maar gaf geen inzicht in welke uitgaven wel of niet werden meegewogen.

De vrouw stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom haar behoefte werd vastgesteld op € 2.500 netto. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn motivering en vernietigde het arrest. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de behoefte en verwijst de zaak voor verdere behandeling.

Uitspraak

10 juli 2015
Eerste Kamer
nr. 14/05072
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/01/252758/FA RK 12-4950 van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2013;
b. de beschikking in de zaak F 200.134.690/01 en F 200.134.691/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juli 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 8 mei 2015 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 1986 met elkaar gehuwd.
(ii) Het huwelijk is op 2 oktober 2013 geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
Voor zover in cassatie van belang verzoekt de vrouw in dit geding vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
3.2.2
De vrouw heeft het hof verzocht te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van € 12.500,-- bruto per maand. Het hof heeft de partneralimentatie bepaald op € 2.259,-- bruto per maand. Met betrekking tot de behoefte van de vrouw heeft het hof overwogen:
“3.5.2. Het hof constateert dat de vrouw een wenslijstje heeft gemaakt dat ziet op een toekomstige situatie waarin zij weer over een inkomen beschikt vergelijkbaar met de welvaart van partijen tijdens het huwelijk. Aan de man kan worden toegegeven dat de vrouw dit lijstje onvoldoende heeft onderbouwd, maar anders dan de man meent maakt dit enkele gegeven echter niet dat zonder meer de conclusie getrokken kan worden dat het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud dient te worden afgewezen. Daarbij overweegt het hof dat aan de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij in de tussensituatie waarin zij zich thans bevindt minder uitgeeft dan wel haar uitgaven beperkt. Uitgaande van een aantal redelijke uitgaven op het behoeftelijstje en daarbij in aanmerking nemende dat partijen (zo blijkt uit de door partijen in het geding gebrachte draagkrachtberekeningen) ten tijde van hun huwelijk een netto besteedbaar gezinsinkomen hadden van afgerond tussen de € 5.500,- en € 6.000,-, is er wel degelijk sprake van een huwelijksgerelateerde behoefte, welke behoefte door het hof in redelijkheid en billijkheid begroot wordt op een bedrag van € 2.500,- netto per maand. De vrouw heeft daarnaast nog gesteld dat de mogelijkheid tot vermogensvorming behoefte verhogend werkt, hetgeen juist is. Nu partijen echter beschikken over een aanzienlijk vermogen waartoe zij beiden voor de helft gerechtigd zijn, kan de vrouw uit het aan haar toekomende deel sparen.”
Het hof heeft voorts overwogen dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij in ieder geval een inkomen genereert ter hoogte van het minimumloon, zodat een aanvullende behoefte resteert van € 1.182,98 netto per maand ofwel € 2.259,-- bruto per maand. (rov. 3.5.5-3.5.6)
3.3
Onderdeel A klaagt onder meer dat het hof zijn oordeel, dat de behoefte van de vrouw naar redelijkheid en billijkheid moet worden begroot op € 2.500,-- per maand, ontoereikend heeft gemotiveerd. Deze klacht is gegrond. De vrouw heeft in hoger beroep een behoeftelijst in het geding gebracht waarin zij de door haar gestelde behoefte van € 6.739,-- per maand heeft gespecificeerd en toegelicht. Het hof is uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van afgerond tussen de € 5.500,-- en € 6.000,-- en van “een aantal redelijke uitgaven op het behoeftelijstje”. Deze motivering geeft geen inzicht in de uitgaven die het hof in aanmerking heeft genomen dan wel buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof heeft aldus onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot zijn oordeel dat de huwelijksgerelateerde behoefte € 2.500,-- bedraagt.
De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.
3.4
De klachten van de onderdelen B en C kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juli 2014;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 juli 2015.