Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
10 juli 2015.
Hoge Raad
Partijen zijn in 1986 gehuwd en zijn in 2013 gescheiden. De vrouw verzocht om vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud door de man. De rechtbank wees dit af, het hof stelde partneralimentatie vast op € 2.259 bruto per maand, gebaseerd op een door het hof begrote behoefte van € 2.500 netto per maand.
Het hof motiveerde dat de vrouw een behoeftelijst had ingediend met een hogere eis, maar dat deze onvoldoende was onderbouwd. Het hof ging uit van een netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk van circa € 5.500 tot € 6.000 en een redelijke uitgavenpost, maar gaf geen inzicht in welke uitgaven wel of niet werden meegewogen.
De vrouw stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom haar behoefte werd vastgesteld op € 2.500 netto. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn motivering en vernietigde het arrest. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de behoefte en verwijst de zaak voor verdere behandeling.