ECLI:NL:HR:2015:1840

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
14/03816
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 133 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid tot vaststellen pilotreglement civiele dagvaardingszaken

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser verworpen tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het geschil betreft de bevoegdheid tot het vaststellen van een pilotreglement voor civiele dagvaardingszaken, zoals geregeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie en artikel 133 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de feitelijke instanties, waaronder het vonnis van de kantonrechter en het arrest van het gerechtshof. Tegen de verweerster, Grenkefinance N.V., is verstek verleend. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de geldigheid en bevoegdheid van het hof ’s-Hertogenbosch om het pilotreglement vast te stellen en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn vastgesteld aan de zijde van de verweerster.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het pilotreglement door het hof ’s-Hertogenbosch bevestigd.

Uitspraak

10 juli 2015
Eerste Kamer
nr. 14/03816
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast,
t e g e n
GRENKEFINANCE N.V.,
gevestigd te Vianen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Grenkefinance.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 2247512/CV EXPL 13-7209 van de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van 19 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.143.003/01 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Grenkefinance is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Grenkefinance begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 juli 2015.