Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissingen op gevoerde verweren
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake afpersing met geweld waarbij een tas met cocaïne betrokken was. De verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van afpersing door bedreiging met geweld, waarbij de tas met cocaïne werd afgenomen van de slachtoffers.
Het hof oordeelde dat de cocaïne toebehoorde aan de slachtoffers vanaf het moment dat zij met de tas in de auto wegreedden, en verwierp het verweer dat de cocaïne aan de verdachte en medeverdachte toebehoorde. Tevens verwierp het hof het beroep op noodweerexces, omdat het cocaïne geen rechtsgoed achtte in de zin van artikel 41 Sr Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen heeft gehanteerd: de bezitter van een goed kan worden aangemerkt als degene aan wie het goed toebehoort in de zin van art. 317 Sr Pro, ongeacht of het een illegaal goed betreft. Daarnaast is cocaïne wel een 'goed' in de zin van art. 41 Sr Pro, zodat het beroep op noodweerexces niet op ontoereikende gronden is verworpen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de strafbaarheid en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige middelen worden verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.