Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het middel van cassatie richtte zich op de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de toewijzing van de vordering en de schadevergoedingsmaatregel betreft, en adviseerde een passende beslissing op basis van artikel 440 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het middel terecht was voorgesteld en dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet juist was.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde taakstraf van 100 uren naar 95 uren, met een subsidiaire vermindering van de vervangende hechtenis van 50 naar 47 dagen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van deze punten. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en vermindert de taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.