Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
30 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel inzake een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Verenigde Staten van Amerika. De opgeëiste persoon, geboren in 1976, werd verdacht van uitlokking en stelde dat uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
Namens de opgeëiste persoon werd een middel van cassatie ingediend door mr. O.J. Much. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst, samen met raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 30 juni 2015. Het beroep werd verworpen, waarmee de uitlevering aan de Verenigde Staten bevestigd bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan de Verenigde Staten bevestigd.