Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
30 juni 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of artikel 344 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) een specialis is van artikel 343 Sr Pro, en daarmee voorrang verdient boven de toepassing van art. 343 Sr Pro bij faillissementsdelicten gepleegd door derden. De verdachte werd primair verdacht van medeplegen van bedrieglijke bankbreuk als bedoeld in art. 343 Sr Pro, ondanks dat hij geen bestuurder of commissaris was van de failliete rechtspersoon.
Het hof had geoordeeld dat art. 344 Sr Pro niet als specialis kan worden beschouwd ten opzichte van art. 343 Sr Pro, waardoor medeplegen van art. 343 Sr Pro ook op derden kan worden toegepast. De verdediging voerde aan dat art. 344 Sr Pro een speciale strafbepaling is die de toepassing van art. 343 Sr Pro uitsluit, wat volgens het hof niet juist was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Noch de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis ondersteunen de stelling dat art. 344 Sr Pro een specialis is van art. 343 Sr Pro. Art. 344 Sr Pro richt zich op faillissementsdelicten door derden, terwijl art. 343 Sr Pro specifiek ziet op bestuurders en commissarissen. De wetgever heeft niet beoogd dat art. 344 Sr Pro de toepassing van art. 343 Sr Pro uitsluit. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.