Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:1739

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2015
Publicatiedatum
25 juni 2015
Zaaknummer
14/02694
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:904 lid 1 BWArt. 419 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake vernietigbaarheid bindend advies

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Alkmaar en het arrest van het gerechtshof Amsterdam betreffende de vernietigbaarheid van bindend advies op grond van artikel 7:904 lid 1 BW Pro.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken in de lagere instanties en constateert dat de door eiser aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie. De stukken die na sluiting van de behandeling zijn ingediend, zijn terzijde gelegd. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser voor zover het beroep gericht was tegen het vonnis van de kantonrechter en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verwerpt het cassatieberoep. Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, welke aan de zijde van Rabobank op nihil zijn begroot. Het arrest is gewezen door raadsheren Van Buchem-Spapens, Snijders en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

26 juni 2015
Eerste Kamer
nr. 14/02694
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,
t e g e n
De coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK KOP VAN NOORDHOLLAND U.A., rechtsopvolgster onder algemene titel van Coöperatieve Rabobank Schagen-Wieringerland U.A.,
gevestigd te Den Helder,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Rabobank.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 412020 \ CV EXPL 12-4140 WD van de kantonrechter te Alkmaar van 28 november 2012;
b. het arrest in de zaak 200.124.805/01 van het gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de kantonrechter en het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Rabobank is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
Nadat de stukken waren gefourneerd en arrest was gevraagd, zijn namens [eiser] stukken overgelegd die niet behoren tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv Pro. Nu deze stukken zijn ingediend na de sluiting van de behandeling van de zaak, heeft de Hoge Raad deze terzijde gelegd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep, voor zover gericht tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, van 28 november 2012, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
26 juni 2015.