Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde eiseres ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van woonruimte wegens dringend eigen gebruik met het oog op renovatie. De feiten en eerdere vonnissen van de kantonrechter en het arrest van het hof Amsterdam vormden de basis van het geding.
Eiseres stelde dat de kosten van de renovatie in een structurele wanverhouding stonden tot de opbrengsten, en verwees naar de verhouding tussen artikel 7:220 en Pro artikel 7:274 lid 1 onder Pro c BW. Het hof verwierp de vordering en oordeelde dat de gestelde wanverhouding onvoldoende was om tot ontbinding over te gaan.
In cassatie stelde eiseres meerdere klachten aan de orde, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro was geen nadere motivering vereist omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en de vordering tot ontbinding en ontruiming wordt afgewezen.