Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 19 december 2014, nr. BRE 13/4323, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 25 juli 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over het verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
De Hoge Raad stelt vast dat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond hiervan en met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, en na advies van de Procureur-Generaal, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.