Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
Op 6 juni 2011 werd in Amersfoort een Volkswagen Polo in brand gestoken. Verdachte en een medeverdachte werden ervan verdacht gezamenlijk deze brandstichting te hebben gepleegd door benzine over de auto te gieten en vuur te ontsteken, waarbij gevaar voor omwonenden en goederen ontstond.
Het hof oordeelde dat verdachte medepleger was, gebaseerd op verklaringen van getuigen die verdachte samen met de medeverdachte kort voor de brandstichting zagen lopen, het vinden van een fles met benzine bij een andere auto, en het feit dat verdachte een verdikking onder zijn jas had waarin vermoedelijk brandbare vloeistof werd gedragen. Ook was sprake van verschroeide wimpers bij verdachte, wat duidt op nabijheid bij de brand.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd. Wel corrigeert de Hoge Raad een vergissing in de bewijsoverweging over wie de verdikking onder de jas had. Daarnaast vermindert de Hoge Raad de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn met vier maanden, waarna het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de medepleging en vermindert de gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding tot drie maanden en drie weken.