Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op 21 februari 2014. De verdachte heeft zich in cassatie laten bijstaan door mr. F. Visser, advocaat te Utrecht, die middelen van cassatie heeft voorgesteld. De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het Gerechtshof in stand gelaten. Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 23 juni 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.