Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 juni 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens verduistering in dienstbetrekking en gewoontewitwassen. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, vertegenwoordigd door zijn advocaat.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 9 juni 2015, waarbij tevens werd gewezen op de samenhang met de zaak tegen de echtgenoot van de verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.