Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 24 februari 2015, nr. SGR 14/9762 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 23 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk is. Hierbij is overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de klachten is ingegaan en het cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard.
De uitspraak is gedaan door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en is op 5 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.