Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 17 oktober 2014, nr. 14/01704.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een arrest van 17 oktober 2014. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is echter niet voldaan binnen deze termijn.
De griffier heeft belanghebbende vervolgens in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. De door belanghebbende aangevoerde redenen werden niet als voldoende geacht om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen (artikel 8:41 lid Pro 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119 lid 2 van Pro de Awb) werd het verzoek tot herziening daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 5 juni 2015 in het openbaar gewezen door de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van griffierecht.