Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
2 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane beschikking van het Gerechtshof Arnhem, waarbij het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter buiten behandeling werd gelaten. De aanvrager was veroordeeld voor mishandeling en het niet tonen van een identiteitsbewijs.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het herzieningsverzoek. De Hoge Raad oordeelde dat de beslissing tot het buiten behandeling laten van het hoger beroep niet kwalificeert als een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom kon het herzieningsverzoek niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, Sv. De Hoge Raad zag geen grond voor een extensieve uitleg van deze bepalingen zoals bepleit door de aanvrager.
De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van lagere instanties.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk omdat het buiten behandeling laten van het hoger beroep geen veroordeling is in de zin van art. 457 Sv.