ECLI:NL:HR:2015:134

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2015
Publicatiedatum
28 januari 2015
Zaaknummer
14/00062
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51f SvArt. 361 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schadevergoeding bij mishandeling en rechtstreeks verband met schade aan fiets

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling van de benadeelde partij. De mishandeling bestond uit het duwen tegen de rug en het slaan met de vuist tegen het gezicht, waardoor de benadeelde letsel opliep en pijn ondervond.

De benadeelde partij vorderde vergoeding van immateriële en materiële schade, waaronder de reparatie van haar fiets die zij had laten vallen toen verdachte haar aanviel. Het hof stelde vast dat de schade aan de fiets rechtstreeks verband hield met de mishandeling en wees de vordering toe.

Het cassatiemiddel betrof de klacht dat het hof onjuist had geoordeeld over het verband tussen de mishandeling en de schade aan de fiets. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de schadevergoeding aan de benadeelde partij in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd, waarbij de schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt toegewezen.

Uitspraak

27 januari 2015
Strafkamer
nr. 14/00062
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 december 2013, nummer 23/002833-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vierde middel

3.1.
Het middel behelst onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat de schade aan de fiets waarvan de benadeelde partij [betrokkene] vergoeding heeft gevorderd, als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde feit is geleden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1.
In het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
"op 28 januari 2013 te Amsterdam, opzettelijk [betrokkene] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht duwen tegen de rug van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] ten val is gekomen, en uit het met de vuist slaan tegen het gezicht van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
"1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL131B 2013022296-1 van 28 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met in de bijlage foto's van het letsel (p. 6-12).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene], zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2013 te 09.30 uur werd op de Ankerplaats te Amsterdam het feit gepleegd. [...] Ik wens aangifte te doen van mishandeling tegen mijn ex-vriend [verdachte]. [verdachte] kwam vanaf een flat aanlopen. Ik was in paniek en ik stond aan de grond genageld. Ik had de fiets nog aan mijn hand. Ik zag dat [verdachte] op mij afkwam lopen. Ik liet uit reflex mijn fiets vallen. Ik ben gaan rennen richting het winkelcentrum "Ankerplaats". Ik ging rennen en ik zag dat [verdachte] ook in mijn richting ging rennen. Ik werd geduwd door [verdachte]. Ik voelde een duw van achteren, ter hoogte van mijn rug, schouder en misschien ook wel mijn hoofd. Voordat ik het wist, lag ik op de grond. Mijn handen en knieën raakten als eerste de grond. Ik heb nu ook schaafwonden. Voordat ik het wist voelde en zag ik dat ik een stoot op mijn linkeroog kreeg van [verdachte]. Het voelde alsof hij zijn vuist gebruikte. Op het moment dat hij mij sloeg, viel mijn linkeroorbel uit. Mijn linkeroog is dik en blauw. Mijn onderste voortanden voelen geribbeld. Ik heb ook last van hoofdpijn en misselijkheid."
3.2.3.
Het – door het Hof bevestigde – vonnis van de Rechtbank, houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] het volgende in:
"[betrokkene] heeft zich als benadeelde partij gevoegd tot een totaalbedrag van € 908,39 (negenhonderdenacht euro en negenendertig eurocent). Zij vordert dat verdachte de door haar geleden immateriële schade en materiële schade (reparatie fiets, behandeling tandarts en reiskosten) zal vergoeden.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [betrokkene], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde rechtstreeks schade heeft geleden.
(...)
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Wat betreft de gestelde schade aan de fiets van voornoemde [betrokkene] is op basis van het voorliggende dossier voldoende vast komen te staan dat [betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan. Dat de feitelijke mishandeling pas kort daarna heeft plaatsgevonden, maakt niet dat de schade aan de fiets niet als rechtstreeks gevolg van de mishandeling kan worden aangemerkt. (...)"
3.3.
In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat "[betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan", geeft 's Hofs oordeel dat de door [betrokkene] geleden schade aan haar fiets in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde mishandeling van haar door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan [betrokkene] toegebracht door het bewezenverklaarde feit als bedoeld in art. 51f en art. 361, tweede lid onder b, Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
3.4.
Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3.5.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2015.