Uitspraak
1.Geding in cassatie
4.Beslissing
26 mei 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor meerdere feiten van oplichting, waarbij sprake zou zijn van een samenweefsel van verdichtsels om verschillende personen te bewegen tot het verstrekken van geld, goederen en diensten.
De bewezenverklaring omvatte onder meer dat verdachte met valse en bedrieglijke verhalen personen had bewogen tot het afgeven van geld, sigaretten, bier, taxiritten, hotelovernachtingen en kleding. De bewijsmiddelen bestonden uit aangiften, verhoren van betrokkenen en verdachte, en schriftelijke stukken.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet zonder meer volgt dat de mededelingen van verdachte onwaar zijn, zodat de motivering van het hof onvoldoende is voor de bewezenverklaring van het samenweefsel van verdichtsels.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking heeft op deze bewezenverklaring en de strafoplegging en wijst de zaak terug aan het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.