Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
27 januari 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter zijn namens de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het ontbreken van de middelen van cassatie betekent dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de verdachte niet worden ontvangen in het cassatieberoep.
Op 27 januari 2015 heeft de Hoge Raad der Nederlanden de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Dit arrest is gewezen door de raadsheren B.C. de Savornin Lohman (voorzitter), N. Jörg en Y. Buruma, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.