ECLI:NL:HR:2015:117

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2015
Publicatiedatum
23 januari 2015
Zaaknummer
14/05206
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onvoldoende belang en ontoelaatbare klachten

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2015 uitspraak gedaan over een cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betrof een procedure in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), waarbij tussentijdse beëindiging en schending van de informatieplicht aan de orde waren.

De Hoge Raad verwijst naar de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad en het arrest van het gerechtshof als feitelijke grondslag. Het cassatieberoep werd ingesteld door verzoeker, die werd bijgestaan door mr. P.J.Ph. Dietz de Loos. De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien deze overwegingen en het advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door raadsheren Streefkerk, Drion, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en ontoelaatbare klachten.

Uitspraak

23 januari 2015
Eerste Kamer
nr. 14/05206
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/07/12/772 R van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 augustus 2012 en 5 september 2014;
b. het arrest in de zaak 200.155.849/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 oktober 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion enT.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
23 januari 2015.