Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
23 januari 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2015 uitspraak gedaan over een cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betrof een procedure in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), waarbij tussentijdse beëindiging en schending van de informatieplicht aan de orde waren.
De Hoge Raad verwijst naar de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad en het arrest van het gerechtshof als feitelijke grondslag. Het cassatieberoep werd ingesteld door verzoeker, die werd bijgestaan door mr. P.J.Ph. Dietz de Loos. De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien deze overwegingen en het advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door raadsheren Streefkerk, Drion, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en ontoelaatbare klachten.