Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
24 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin hun verzoek tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) was afgewezen. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten van de rechtbank Oost-Brabant en het gerechtshof.
De Procureur-Generaal heeft het cassatieberoep betwist op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), stellende dat verzoekers onvoldoende belang hebben bij de behandeling van het beroep en dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Verzoekers hebben hierop gereageerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat de klachten inderdaad geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Drion, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door De Groot op 24 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.