Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 4 april 2014, nr. AWB 12/1818, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 1 augustus 2012.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is op 23 januari 2015 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk vanwege gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.