ECLI:NL:HR:2014:99

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2014
Publicatiedatum
17 januari 2014
Zaaknummer
11/05623
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep zonder rechtsgevolg

In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het hof oordeelde dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden. De verdediging had strafvermindering gevorderd vanwege deze overschrijding. Het hof stelde vast dat de overschrijding het gevolg was van het schorsen van het onderzoek ter terechtzitting en dat deze overschrijding voor rekening van de verdachte kwam. Daarom volstond het hof met de constatering van de overschrijding zonder hieraan rechtsgevolgen te verbinden.

De Hoge Raad benadrukt dat het oordeel van de feitenrechter over de overschrijding van de redelijke termijn slechts beperkt kan worden getoetst: alleen op onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid. Ook het rechtsgevolg dat aan de overschrijding wordt verbonden, wordt slechts op begrijpelijkheid getoetst. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwerpt het cassatieberoep.

Daarnaast stelt de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn is overschreden, mede doordat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de opgelegde straf van zes maanden en de mate van overschrijding ziet de Hoge Raad geen aanleiding om het oordeel van het hof te wijzigen. Het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen rechtsgevolg heeft.

Uitspraak

17 januari 2014
Strafkamer
nr. 11/05623
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 december 2011, nummer 23/002114-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel met betrekking tot het aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden rechtsgevolg onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.2.
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde oordeel het volgende in:
"De verdediging heeft in hoger beroep strafvermindering gevraagd in verband met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM – voor zover het de gedingfase in hoger beroep betreft – is overschreden. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Niet ter discussie staat dat de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is overschreden. Het staat de rechter echter vrij om na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het hof is van oordeel dat in deze zaak kan worden volstaan met deze constatering nu de duur van het geding in hoger beroep met name het gevolg is geweest van schorsen van het onderzoek ter terechtzitting zodat onderhavige zaak conform het verzoek van de verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd met de zaak van de medeverdachte kon worden behandeld, zodat die overschrijding voor zijn rekening komt."
3.3.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7).
3.4.
Het Hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en dat daarmee art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Voorts heeft het Hof – overwegende dat deze overschrijding voor rekening van de verdachte komt – aanleiding gezien te volstaan met deze vaststelling en geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 januari 2014.