Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Uden,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 april 2014.
Hoge Raad
In deze civiele zaak vordert eiser diverse bedragen van zijn voormalige werkgever Esprit Management & IT Services B.V., waaronder onkostenvergoeding, achterstallig salaris en vakantiegeld, en vergoedingen voor niet genoten vakantiedagen en bonusbetalingen.
De kantonrechter heeft in meerdere vonnissen over deze vorderingen beslist, waarbij het eindvonnis over een bedrag onder de appelgrens van € 1.750,-- ging. Het hof verklaarde eiser niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat het bedrag van het eindvonnis onder de appelgrens lag.
De Hoge Raad oordeelt dat voor de appelgrens het totale bedrag van alle vorderingen waarover in eerste aanleg is beslist moet worden meegewogen, ook als dat in meerdere deelvonnissen is gebeurd. Hierdoor was het hoger beroep over het eindvonnis wel ontvankelijk. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
De Hoge Raad reserveert de beslissing over de kosten van cassatie tot de einduitspraak en begroot de kosten aan de zijde van eiser.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bepaalt dat het totale bedrag van alle vorderingen bepalend is voor de appelgrens, waardoor het hoger beroep ontvankelijk is.