Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te Haarlem,
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 april 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de waardering van aandelen centraal in het kader van een vordering tot uittreding op grond van artikel 2:343 BW Pro. De zaak betrof een geschil tussen [eiseres] c.s. en [verweerster] over de juiste waardering van aandelen en de procedurele vraag of een deskundige benoemd mocht worden ondanks het rechtsmiddelenverbod zoals bedoeld in artikel 194 lid 2 Rv Pro.
De feiten en eerdere procedures zijn uitgebreid behandeld in vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage en arresten van het gerechtshof Amsterdam. Tegen de arresten van het hof stelde [eiseres] c.s. beroep in cassatie in, terwijl tegen [verweerster] verstek werd verleend.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal was eveneens gericht op verwerping van het beroep.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen en veroordeelde [eiseres] c.s. in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van [verweerster] op nihil werden begroot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere uitspraken worden bevestigd.