Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 maart 2014, waarin het hof een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van het Openbaar Ministerie tot toepassing van vervangende hechtenis ongegrond verklaarde.
De Hoge Raad beoordeelde of deze beslissing kon worden herzien. Volgens de Hoge Raad is de beslissing van het hof geen uitspraak houdende een veroordeling in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de aanvraag tot herziening niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet in staat waren het arrest te ondertekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk omdat de bestreden beslissing geen veroordeling inhoudt.