Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
De aanvrager verzocht om herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch uit 2001, waarin hij was veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. De aanvraag betrof het vermoeden dat twee uitwerkingen van een door de politie getapt telefoongesprek wezenlijk van elkaar afwijken en dat deze uitwerkingen valselijk door opsporingsambtenaren zijn opgemaakt.
De Hoge Raad beoordeelde of dit nieuwe gegeven, dat tijdens het oorspronkelijke onderzoek niet bekend was, het onderzoek zou hebben beïnvloed, bijvoorbeeld door vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of bewijsuitsluiting. De aanvrager stelde dat het Hof, indien bekend met deze afwijkingen, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie had moeten komen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat de aanvrager onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitwerkingen vals waren. De aangevoerde argumenten en bijgevoegde bescheiden boden onvoldoende grond om het vermoeden van valsheid te ondersteunen. Daarom werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet in staat waren het arrest te ondertekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende aannemelijkheid van valsheid in geschrift.