Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding centraal. Verdachte was niet ingeschreven in de GBA en had sinds oktober 2010 geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Bij het instellen van het hoger beroep was een adres opgegeven dat het hof als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte beschouwde.
De dagvaarding kon niet worden uitgereikt op dat adres, waarna deze aan de griffier van de rechtbank werd uitgereikt. De verdediging stelde dat het hof ten onrechte het opgegeven adres als woon- of verblijfplaats had aangemerkt, waardoor de betekening niet rechtsgeldig zou zijn.
De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat een dagvaarding aan de griffier kan worden uitgereikt indien geen woon- of verblijfplaats bekend is, maar dat eerst moet zijn geprobeerd de dagvaarding op een redelijkerwijs als verblijfplaats aan te merken adres te betekenen. Het hof had het opgegeven adres als zodanig aangemerkt, wat niet onbegrijpelijk of onjuist was.
Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding. Het arrest is bij verstek gewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding.