Belanghebbende, de erfgenaam van een overledene, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Deze uitspraak betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag over een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Een later ingediend stuk door belanghebbende werd niet in behandeling genomen. De klachten van belanghebbende konden niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2014.