ECLI:NL:HR:2014:744

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2014
Publicatiedatum
27 maart 2014
Zaaknummer
13/03777
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 8 lid 1 Brussel II-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij gezagsbeslissingen minderjarigen volgens art. 81 RO en Brussel II-bis

De zaak betreft een geschil tussen de moeder, woonachtig in Israël, en de vader, woonachtig in Nederland, over gezagsbeslissingen betreffende hun minderjarige kind. De centrale vraag is of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) en artikel 8 lid 1 van Pro Brussel II-bis, waarbij de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van aanhangigmaking bepalend is.

De moeder stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat de Nederlandse rechter bevoegd achtte. De Raad voor de Kinderbescherming was belanghebbende maar niet verschenen in cassatie. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de moeder niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het beroep wordt derhalve verworpen.

De uitspraak bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij gezagszaken over minderjarigen wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft op het moment van aanhangigmaking, conform Brussel II-bis.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de Nederlandse rechter is internationaal bevoegd voor de gezagszaak.

Uitspraak

28 maart 2014
Eerste Kamer
nr. 13/03777
EV/NH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te Israël,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
1. [de vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,
2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ’S-HERTOGENBOSCH,
BELANGHEBBENDE in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 246521/FA RK 12-2169 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 september 2012 en 20 december 2012;
b. de beschikking in de zaak 200.119.623/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 28 februari 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
28 maart 2014.