Uitspraak
wonende te Israël,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
28 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de moeder, woonachtig in Israël, en de vader, woonachtig in Nederland, over gezagsbeslissingen betreffende hun minderjarige kind. De centrale vraag is of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) en artikel 8 lid 1 van Pro Brussel II-bis, waarbij de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van aanhangigmaking bepalend is.
De moeder stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat de Nederlandse rechter bevoegd achtte. De Raad voor de Kinderbescherming was belanghebbende maar niet verschenen in cassatie. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de moeder niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het beroep wordt derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij gezagszaken over minderjarigen wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft op het moment van aanhangigmaking, conform Brussel II-bis.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de Nederlandse rechter is internationaal bevoegd voor de gezagszaak.