Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
25 maart 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had beroep ingesteld tegen de uitspraak van het hof.
Na eerdere beoordeling van het eerste middel en het verzoek om een aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal, concludeerde deze tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het tweede middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen verdere motivering nodig was.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 104.517,- naar € 99.517,-.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 99.517,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep verder.