Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Beslissing
25 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het hof had een herzieningsaanvraag van de veroordeelde afgewezen, waarin hij was veroordeeld tot 24 jaar gevangenisstraf wegens moord.
De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van de Rijkswet cassatierechtspraak en het Wetboek van Strafvordering van Curaçao. Volgens deze wetgeving staat een cassatieberoep open tegen vonnissen in strafzaken, maar de afwijzing van een herzieningsaanvraag wordt niet aangemerkt als een vonnis in strafzaak. Ook kan de veroordeelde niet als verdachte worden beschouwd in dit kader.
Daarom is de afwijzing van de herzieningsaanvraag niet vatbaar voor cassatieberoep bij de Hoge Raad. Dit strookt met het onderscheid tussen gewone en buitengewone rechtsmiddelen binnen het Koninkrijk. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de veroordeelde niet-ontvankelijk en wees het beroep af.
Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de afwijzing van de herzieningsaanvraag.