ECLI:NL:HR:2014:69

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2014
Publicatiedatum
16 januari 2014
Zaaknummer
13/01853
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslag omzetbelasting en heffingsrente

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Belastingdienst over een naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente over het jaar 2006. Na een uitspraak van de rechtbank Breda werd het hoger beroep van belanghebbende door het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandeld. Het hof wees het beroep af, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde middelen niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad achtte geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarnaast heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard en het vonnis van het hof werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het vonnis van het gerechtshof bekrachtigd.

Uitspraak

17 januari 2014
Nr. 13/01853
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 7 maart 2013, nr. 12/00255, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/4281) betreffende de aan belanghebbende over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2014.