Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De Hoge Raad beoordeelde het middel van cassatie voorgesteld door de advocaat van de verdachte en concludeerde dat het middel niet tot cassatie kon leiden.
De Hoge Raad constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De bestreden uitspraak werd vernietigd voor zover het de duur van de straf betrof en de straf werd verminderd van 23 maanden (waarvan 8 maanden voorwaardelijk) naar 22 maanden (waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar). Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 18 maart 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 22 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.