Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2. De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de Kantonrechter veroordeeld wegens het niet voldoen aan de wettelijke verzekeringsplicht voor een motorrijtuig op 21 juni 2006. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van een brief van de Dienst Wegverkeer (RDW) waarin werd gesteld dat hij sinds 4 november 2003 niet meer aansprakelijk was voor de verzekeringsplicht, omdat het voertuig als gestolen was geregistreerd.
De Hoge Raad overwoog dat volgens de toen geldende wetgeving de verzekeringsplicht pas vervalt op het moment dat de RDW het kentekenbewijs ongeldig verklaart, wat alleen kan gebeuren nadat aangifte van diefstal is gedaan. De aanvrager deed pas op 22 december 2011 aangifte, dus was hij op 21 juni 2006 nog verzekeringsplichtig.
De onjuiste mededeling van de RDW in 2012 kon de aanvrager niet het rechtens te honoreren vertrouwen geven dat hij op het moment van het verzuim niet verzekeringsplichtig was. Daarom wekte de aanvraag geen ernstig vermoeden dat het onderzoek tot een ander oordeel had geleid.
De Hoge Raad wees de aanvraag tot herziening dan ook af en bevestigde daarmee het eerdere vonnis van de Kantonrechter.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling wegens het niet voldoen aan de verzekeringsplicht.