Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager verzocht om herziening van een verstekvonnis van de Kantonrechter Amsterdam uit 2007, waarin hij werd veroordeeld voor het niet voldoen aan de verzekeringsplicht voor een motorrijtuig op 21 juni 2006.
Als nieuw feit werd aangevoerd dat de aanvrager reeds vanaf 4 november 2003 niet meer aansprakelijk zou zijn voor de verzekeringsplicht, onderbouwd met een brief van de Dienst Wegverkeer uit 2012 en een politieproces-verbaal van aangifte van verduistering van het voertuig op 22 december 2011.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de destijds geldende regelgeving de verzekeringsplicht pas verviel op het moment van aangifte van het verlies van het voertuig, niet op de datum van diefstal of verduistering. Omdat de aangifte pas in 2011 werd gedaan, kon de aanvrager niet aannemelijk maken dat hij op de datum van het bewezenverklaarde feit niet verzekeringsplichtig was.
De onjuiste mededeling van de Dienst Wegverkeer uit 2012, die pas na het verzuim werd gedaan, kon geen rechtens te honoreren vertrouwen wekken. Daarom was er geen grond voor herziening en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden dat het oorspronkelijke vonnis onjuist was.