Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 maart 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw verlengd kon worden na het verstrijken van de wettelijke termijn van twaalf jaar. De vrouw had beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam, dat haar vordering tot verlenging van de partneralimentatie had afgewezen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de vrouw verworpen. De klachten die zij in cassatie aanvoerde, leidden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof.
De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro in combinatie met de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, met name artikel 1:157 lid 4 en Pro artikel 1:158 BW Pro, die de termijn en voorwaarden voor partneralimentatie regelen. De Hoge Raad bevestigt dat na het verstrijken van de termijn van twaalf jaar de onderhoudsplicht niet automatisch wordt verlengd.
De beslissing werd genomen door raadsheren Streefkerk, Heisterkamp en Drion en in het openbaar uitgesproken door vice-president Bakels op 14 maart 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de onderhoudsplicht wordt niet verlengd na twaalf jaar.