ECLI:NL:HR:2014:631

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2014
Publicatiedatum
14 maart 2014
Zaaknummer
13/03577
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:157 lid 4 BWArt. 1:158 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging partneralimentatie na verstrijken termijn van twaalf jaar

In deze zaak stond de vraag centraal of de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw verlengd kon worden na het verstrijken van de wettelijke termijn van twaalf jaar. De vrouw had beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam, dat haar vordering tot verlenging van de partneralimentatie had afgewezen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de vrouw verworpen. De klachten die zij in cassatie aanvoerde, leidden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof.

De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro in combinatie met de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, met name artikel 1:157 lid 4 en Pro artikel 1:158 BW Pro, die de termijn en voorwaarden voor partneralimentatie regelen. De Hoge Raad bevestigt dat na het verstrijken van de termijn van twaalf jaar de onderhoudsplicht niet automatisch wordt verlengd.

De beslissing werd genomen door raadsheren Streefkerk, Heisterkamp en Drion en in het openbaar uitgesproken door vice-president Bakels op 14 maart 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de onderhoudsplicht wordt niet verlengd na twaalf jaar.

Uitspraak

14 maart 2014
Eerste Kamer
13/03577
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
In de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van der Beek.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 496421 FA RK 11-6346 van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2012;
b. de beschikking in de zaak 200.115.514/01 van het gerechtshof Amsterdam van 23 april 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 30 januari 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op
14 maart 2014.