Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Slotsom
4.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk mishandelen van een persoon door hem tegen het gezicht te stompen tijdens een carnavalsincident in Boven-Leeuwen. Het hof had geoordeeld dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op een vriend van de verdachte, maar dat de klap van de verdachte onnodig was omdat het slachtoffer de aanval kon ontwijken en een duw van een derde voldoende was om de dreiging af te wenden.
De verdachte voerde in cassatie aan dat zijn handeling gerechtvaardigd was door noodweer ter verdediging van zijn vriend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk had gemotiveerd, omdat het tijdsverloop en de omstandigheden niet duidelijk maakten dat de klap onnodig was. Hierdoor kon het hof niet aannemelijk maken dat de noodweeruitsluiting terecht was toegepast.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.