Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
11 maart 2014.
Hoge Raad
Op 11 maart 2014 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 3 april 2012. Het beroep was ingesteld door verdachte en werd ondersteund door mr. G.H. Fijma, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal N. Jörg concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door raadsheer J. de Hullu als voorzitter, met raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. Hiermee werd het beroep van verdachte definitief afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, waardoor het arrest van het Gerechtshof Arnhem in stand blijft.