Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 oktober 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden en dat deze geen nadere motivering behoefden. Het derde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van zes jaren naar vijf jaren en elf maanden. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 14 oktober 2014 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd naar vijf jaren en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.