Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
19 december 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stonden verzoekers c.s. in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch betreffende de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) op grond van artikel 350 lid Pro 3, onder c en e, van de Faillissementswet (Fw).
De feiten en eerdere beslissingen zijn vastgelegd in vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant en het arrest van het hof, waarop de Hoge Raad zich baseert. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop verzoekers c.s. reageerden.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. Het arrest werd gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Drion, Polak en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.