Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
16 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1979, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De advocaat-generaal concludeerde tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord. De verdachte bevond zich in voorlopige hechtenis en de uitspraak van de Hoge Raad liet meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op zich wachten, waardoor de redelijke termijn was overschreden.
Gezien de overschrijding van de redelijke termijn werd de opgelegde gevangenisstraf van tien jaren ambtshalve verminderd met zeven maanden, zodat de straf werd teruggebracht tot negen jaren en vijf maanden. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd van tien jaar naar negen jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.