Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
16 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor opzetheling van gestolen ringen. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte tussen 2 februari en 2 maart 2010 in Nederland ringen had verworven en voorhanden had, terwijl hij wist dat deze door diefstal waren verkregen.
De verdediging voerde aan dat niet kon worden uitgesloten dat de ringen door een ander in de tas waren geplaatst en dat verdachte niet wist van de aanwezigheid ervan. Het hof oordeelde dat de tas die was aangetroffen dezelfde was als die van verdachte en dat het niet aannemelijk was dat verdachte niet wist wat er in zijn tas zat.
De Hoge Raad stelt echter vast dat het hof de mogelijkheid openliet dat een ander de ringen in de tas had gestopt en dat het oordeel dat verdachte wetenschap had niet voldoende is gemotiveerd. Hierdoor is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betreft de bewezenverklaring en strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.