ECLI:NL:HR:2014:3601

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2014
Publicatiedatum
15 december 2014
Zaaknummer
13/06089
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak inzake vergoeding bezwaar- en heffingsrentekosten

Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het geschil betrof de weigering van de Inspecteur om een vergoeding toe te kennen voor kosten gemaakt in verband met het maken van bezwaar en de beslissing omtrent heffingsrente.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel III slaagt op grond van een eerdere uitspraak (nr. 13/06055) en dat de overige middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof had nagelaten de Inspecteur te gelasten de rente te vergoeden, waardoor de uitspraak niet in stand kan blijven.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof uitsluitend voor zover het hof deze nalatigheid betreft. Tevens wordt de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten, en wordt de Inspecteur gelast rente aan belanghebbende te vergoeden conform de eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en rente aan belanghebbende.

Uitspraak

19 december 2014
nr. 13/06089
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s‑Hertogenboschvan 29 oktober 2013, nr. 12/00718, op de hoger beroepen van belanghebbende en de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 11/2809) betreffende de beslissing van de Inspecteur geen vergoeding toe te kennen voor kosten in verband met het maken van bezwaar en de beslissing inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Middel III slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 2.3 van het heden in de zaak met nummer 13/06055 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 13/06095 en 13/06098 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de Inspecteur te gelasten de hierna te noemen rente te vergoeden,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 1948, derhalve € 649,34 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt, berekend met inachtneming van hetgeen is overwogen in onderdeel 2.3.2 van het heden in de zaak met nummer 13/06055 uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.