Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stelde de verdachte in hoger beroep dat hij recht had op bijstand van een tolk in zijn moedertaal, omdat hij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst. De verdediging voerde aan dat het feitelijke relaas van belang is en dat de verdachte zich in het Engels onvoldoende nauwkeurig kan uitdrukken. Het hof had echter geoordeeld dat de verdachte de Engelse taal voldoende beheerst om het onderzoek ter terechtzitting met een Engelse tolk voort te zetten.
De Hoge Raad heeft het toepasselijke juridische kader uiteengezet, waaronder het EVRM, de Europese richtlijn 2010/64/EU en de artikelen 275 en 276 van het Wetboek van Strafvordering zoals die golden vóór 1 oktober 2013. Hieruit volgt dat een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst recht heeft op een tolk in een taal die hij voldoende beheerst, maar niet per se in zijn moedertaal.
De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat de verdachte recht had op een tolk in zijn moedertaal en oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat de Engelse taal voldoende was. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het arrest van het hof stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; het hof mocht oordelen dat Engelse tolkbegeleiding voldoende was.